 |
| Op de hoogte van Madeira |
Je kunt er ook een keer naastkleunen.
Het weer hield zich aan de voorspelling en was prachtig vandaag, geen boveneilands wolkje te bespeuren. Tijd dus voor de uitstaande bergnummers, te beginnen bij het plaatsje Rabaçal, op de rug van Madeira gelegen. Aldaar werd ons een sprookjesachtige levada beloofd, met wel de kanttekening dat het vóór 10 uur waarschijnlijk minder druk zou zijn. Daar hadden we niet veel aan, om die tijd hebben we amper het ontbijt achter de kiezen.
De rit ernaartoe was weer eens anders: eerst een heel stuk langs de kust (goeddeels doortunneld, want aangezien Madeira op de meeste plaatsen loodrecht de zee in verdwijnt, om onder water ook snel indrukwekkende diepten te bereiken, is er van kust zoals wij dat woord begrijpen eigenlijk geen sprake); daarna in rechte lijn de bergen in. Dat betekent interessante hellingshoeken, waarbij men blij is dat de auto een eerste versnelling kent. Dit stuk eiland is gemakkelijk te onderscheiden van het noorden: niet minder ruig, wel anders begroeid: lager, struikachtiger, meer naald dan loof, weinig tot geen bloemen langs de weg (alleen de miradouros blijven dicht gezaaid). Al met al minder boeiend.
 |
| Omlaag naar de bronnen |
Rabaçal is helemaal geen plaats, meer een soort nederzetting van waaruit men levada's bouwde. In Egypte hebben we een dorpje bezocht waar de bouwers van de tempels van de Vallei der Koningen woonden; net zoiets dus. Om er te komen moesten we vanaf de parkeerplaats langs de weg, op 1300 m, eerst een paar honderd meter afdalen naar die nederzetting. Er heette ook een busje naar beneden te rijden, maar daar waren weinig tekenen van. Gelukkig was het beregezellig op de weg: wij vergezelden en werden vergezeld door honderden anderen, allen bezeten van de wens de 25 bronnen van de Levada (van de 25 enz) te bezichtigen.
 |
| Filelopen: kunst op zich |
Dan nu de verklaring van mijn woordkeus "naastkleunen": van de 6 levada's die ik en/of Elise totnogtoe bewandeld hebben, was dit de minst geschikte om gezelschappen van honderden wandelaars op te vangen. Het pad was bij tijd en wijle zeer smal; bovendien hier en daar ruim een meter onder de waterbak gelegen, zodat er niet alleen links een afgrond (met een hekje hoor) gaapte, maar ook rechts het muurtje van de levada. Stel je nu voor dat je je in een trage massa Duitsers voortbeweegt, en tegemoet gekomen wordt door een al even grote massa Fransen, Italianen en al die nationaliteiten, die niets liever willen dan zo snel mogelijk terug naar hun auto. Om kort te gaan: hier was van wandelen geen sprake, hoogstens van wachten en schuifelen.
Het eind van de wandeling werd gevormd door de 25 bronnen waaruit de levada naar zeggen ontspringt. Jaja. Geef mij maar het groene ravijn. (In het Portugees: 25 fontes; maar wie daaruit dacht te ontlenen dat het om fonteinen zou gaan kwam al helemaal bedrogen uit.) Punt is natuurlijk dat we verwend zijn: het zijn allemaal heel bijzondere wandelingen, maar we waren totnogtoe aan alle toeristische drukte ontsnapt, door incourante locaties in combinatie met minder weer misschien. Dan word je al gauw blasé als het wat minder is.
 |
| Tel de bronnen |
Interessant was wel dat zich toen wij op de terugweg waren een kleine maar daarom niet minder indrukwekkende steenlawine voordeed aan de andere kant van het smalle dal, waar geen wandelpad was. We namen eigenlijk niets anders waar dan een enorm geraas (stel je het legen van een glasbak voor, vergroot met een factor 5 en met vallend-steen- in plaats van brekend-glas-geluid). We hadden ter plekke geen goed zicht, maar even later was de plek des onheils nog herkenbaar aan een stofwolk. De gedachte dat zoiets ook bij het wandelpad kan gebeuren is onprettig. Ik denk dat dat inderdaad kan, maar ook dat er wel onderhoud is. Er is hier overal onderhoud, we zijn positief verrast door de properheid en trouwens ook kennelijke welvarendheid van het eiland. We komen wegwerkzaamheden tegen, vervende mannetjes die de muurtjes aan de dalkant van de weg mooi wit houden, onderhoud van rivierbeddingen, en zo meer.
 |
| Tel de mensen bij de bronnen |
Afgezien van de lawine was het pad terug rustiger. Bij de weg omhoog (van Rabaçal naar parkeerplaats) waren nu duidelijk tekenen van een busdienstje, in de vorm van een vijftigtal wachtende mensen. Het even later arriverende busje leek niet aan veel meer dan 12 daarvan tegelijk plaats te bieden, en aangezien Indonesische toestanden (record: 28 man in een busje voor 12) hier wel zouden uitblijven zou er vermoedelijk enige wachttijd in het verschiet liggen. Ik had naar mijn gevoel nog niet gewandeld en had er geen enkel bezwaar tegen terug te lopen, maar Elise die de hele route al dapper op zere voeten had afgelegd dacht daar begrijpelijkerwijs anders over. Wat bleek: er was in het eerste het beste busje, nadat de voorsten van de rij waren ingestapt, nog plaats voor 1 persoon, en wie is er nou zo gek om in z'n eentje naar de 25 bronnen te gaan...? Haha! Opnieuw slaagden we erin het nuttige met het aangename te verenigen: ik was een kwartiertje later boven dan E, maar we waren er allebei sneller dan wanneer we een ondeelbaare tweeëenheid hadden gevormd.
 |
| Ook een betonnen levadawand is vruchtbare grond |
De zon scheen nog altijd lustig, we stonden op de rug van Madeira en hadden naar noord en zuid vrij zicht. (Hoewel, vrij? Opmerkelijk genoeg deden zich nu aan de zuidkant wolkenformaties voor, terwijl de wind nog steeds noordelijk was.) Dit leek een uitgelezen moment om een kans te grijpen die we een goede week geleden hadden laten liggen: het natuurzwembad in Porto Moniz, waar we na de smerigste pizza sinds mensenheugenis geen trek meer in hadden gehad - nog afgezien van het feit dat we toen ook net een regenbuitje achter de rug hadden. Nu was het zonnig, waren wij warm, en zowel mentaal als lichamelijk zeer aan verkoeling toe. Porto Moniz was niet meer dan een ritje over de ruggengraat en bij het achterwerk naar beneden: kwestie van een half uurtje. (Ik zit me steeds af te vragen hoeveel keer groter dan Terschelling Madeira zou zijn? Meer dan vier, minder dan tien, is mijn schatting: maar de vierkante meters van boven gezien zijn natuurlijk lang niet het hele verhaal.)
Beetje naief. Zondag, het mooiste weer sinds meer dan een week? Ja, er waren meer mensen op het idee van zwemmen gekomen. Waar we vorige week met enige moeite en groot vertrouwen in de geringe afmetingen van onze auto nog een plekje gevonden hadden, was daar nu geen sprake van, zelfs niet na drie complete omgangen rond het stadje. (Voor de traditionele zeven ontbrak ons de puf.)
 |
| O Fio |
Geen nood: we hebben nog een paar dagen stuk te slaan, en dat zijn niet allemaal zondagen terwijl het weer wel belooft mooi te blijven. Plus, het was bijna 16:00 uur en het hotelontbijt (3,5) was het enige dat we de hele dag nog hadden genoten. Als bij toverslag diende zich een ander idee aan: hoe zou het zijn eens een, weliswaar vroeg, echt Portugees avondmaal te gebruiken? Daarvoor bood de afstand tussen Porto Moniz en Funchal toch zeker speling genoeg. Hier bewees het van Janine & Ron geleende "Walk & Eat Madeira" zijn waarde: in Ponta do Pargo beschrijft het met veel enthousiasme het Casa de Ché o Fio, met als specialiteit: Espada with Wine and Garlic. "Espada" wordt in het Engels vertaald met "Scabbard Fish", wat ik wel erg grappig vind omdat de Nederlands vertaling toch echt "Zwaardvis" is. (Voor de goede orde: we hebben het nu even niet over "Walk Madeira".) Een handgeschreven aantekening "leuk & lekker" was voldoende ons over de streep te trekken.
De rit naar Ponta do Pargo liet het eiland van zijn droge en bloemloze, maar daarom nog niet minder groene en ruige kant zien. Het restaurant was snel gevonden, nog rustig in de volle zon gelegen. Dit is het uiterste westpuntje van het eiland, dus die zon zou het nog wel even volhouden, hoewel we alweer om het hoekje aan de zuidkant aanzienlijke wolkenmassa's konden waarnemen.
 |
| Beef stew + Schedevis |
Zowel de schedevis als mijn brood+ei-soep en "beef stew" (officiële naam niet genoteerd) smaakten werkelijk uitstekend. We kunnen de notitie van Janine alleen maar onderschrijven. Een klein probleem diende zich wel aan op het betaalfront: ons gidsje vermeldde, en het lieve (bijna onderdanige) bedienende meisje bevestigde, dat hier niet gekaart kon worden. De summa summarum van onze portomonizen kwam akelig dichtbij het bedrag dat we misschien schuldig zouden zijn... Zorgvuldig hoofdrekenen suggereerde dat het allemaal goed zou gaan, inclusief de onontbeerlijke bica. Uiteindelijk restte zelfs nog een niet onaardige fooi. Wat weer aanleiding was tot een first in mijn beleving: onze bediening (die we ons cashflowprobleem hadden opgebiecht) kwam de fooi terugbrengen onder vermelding dat er voor dat bedrag ook nog wel een toetje inzat! Bijna ontroerend; we moesten haar verzekeren dat we helemaal geen toetje bliefden.
 |
| Architectonisch hoogtepunt: ons hotel |
We zetten onze trip tegen de klok in voort. Van meanderende kustwegen ging de route allengs over in de al eerder doorboorde tunnels. Het hotel lonkte. De Spar-wijn bevat kurk en het balkonlicht is kaduuk, maar dat laat niet onverlet dat we alweer een mooie dag beleefd hebben. Hoogstens moeten we wat vroeger weg. Dat kan nog interessant worden.
O ja: Funchal is bewolkt, en van hieruit zou je niet raden dat de bergregionen en noordkant zonnig waren! Mijn weerkunde laat me in de steek. Zij die het weten mogen het zeggen.